Jana Roovers - Inclusitie

Als maker

 

ben ik er op tegen dat de curator de vrijheid neemt, het werk van een kunstenaar genadeloos uit de context te rukken en ongevraagd te combineren met ander werk. Met als voorbeeld de expositie The Way Beyond Art, door o.a. Steven ten Thije[1]. Door het de-contextualiseren en combineren van verschillende werken kun je zelfs stellen dat een curator ook kunstenaar wordt. Voedsel voor een nieuw essay!

In mijn beeldende werk streef ik verschillende manieren van inclusiviteit na.

 

Document 1. Werken in de publieke ruimte.

In studiejaar twee heb ik voor beeldkwestie verschillende werken gemaakt in een publieke ruimte. Juist hier kan niemand worden uitgesloten, iedereen die passeert kan het werk zien ongeacht wie je bent. Het werk is beschikbaar voor iedereen. Het onderwerp van het werk daarentegen kan wel uitsluiten, door bijvoorbeeld racistisch van aard te zijn. Wat ik daarmee wil aangeven is dat werk in publieke ruimte niet meteen inclusief hoeft te zijn. Aangezien ik het maken an sich als onderwerp heb gekozen zie ik niet hoe het onderwerp van mijn werk zou kunnen uitsluiten. (Zie foto’s van document 1).Ik vond het altijd vreselijk als er iemand mee keek terwijl ik werk maakte. Een goed voorbeeld hiervan is mijn werkplek op school. Vorig jaar ben ik met opzet in een hoekje gaan zitten, uit een soort angst.Stel dat mijn werk niet goed genoeg zou zijn en iemand dat zou zien....

Ik ben deze angst voor een groot deel ontgroeid. Mede door mezelf voor het blok te zetten: werken in de publieke ruimte met de kennis dat echt iedereen mee kan gluren, mij kan bekijken. Nu praat ik graag met klasgenoten over mijn beeldende werk zonder dat ik bang ben om afgekeurd te worden. 

Dit werk heeft betrekking op de competenties: 1, 2.1, 4.1, 6.3, 8, 8.1, 16, 24, 26, 26.1.

 

Document 2. In studiejaar twee heb ik voor beeldlab een ‘kepenek’ gevilt. Hierin waren verschillende aspecten zeer belangrijk:

- Het kijken naar andere culturen, inspiratie halen uit iets wat oorspronkelijk geen kunstobject hoeft te zijn.

- De Kepenek is van oorsprong een gebruiksobject. Namelijk een beschermende ‘jas’ voor een herder.

- Het ambacht. De kepenek is een perfect voorbeeld van het herleven van een traditioneel ambacht: vilten. De herder zorgt voor de schapen, de wol beschermt tegelijkertijd de herder tegen slechte weersomstandigheden. 

- De kepenek vraagt een actieve houding van het publiek: tijdens de expositie in 06-2017 kon het publiek de traditionele herdersjas aantrekken.

Het werk is inclusief in die zin dat ik als westerse maker andere culturen betrek in mijn werk. Tevens een vorm van globalisatie. (De competenties waaraan ik heb gewerkt: 2, 2.1, 3.1, 5, 6, 7, 8, 26.1).

 

Wat me opvalt, als ik kijk naar de afgelopen twee jaar, is het verschil in aanpak in mijn beeldende proces. Vorig jaar maakte ik liever een paar werken waarvan ik zeker was dat het kwaliteit betrof. Dit zorgde ervoor dat ik al had besloten dat een idee niet goed genoeg was, zonder dat ik het überhaupt had geprobeerd. Dit jaar heb ik het duidelijk anders aangepakt. Ik overdenk ideeën minder. Dit betekend niet dat ik zomaar wat aanklooi, ik heb mezelf in mijn eigen maken meer ruimte gegeven om te focussen op de dingen die ik materiaal-technisch interessant vind. Ik vraag me af of door deze manier van werken de kwaliteit onder zal doen voor die van vorig jaar, dat zal aankomende weken blijken.



[1] Van Abbemuseum, The Way Beyond Art, 2017-2021.

Terugblik. Vooruitgang. 


In de afgelopen paar jaar heb ik o.a. op stage geproefd van meerdere leerniveaus: voortgezet onderwijs havo-vwo, middelbaarberoepsonderwijs niveau 2 tot 4 maar ook buitenschoolse educatie. Ondanks dat ik mijn toekomst zag in museumeducatie heb ik de eerste twee jaar een binnenschoolse stage gelopen. Dit deed ik omdat ik er zeker van wilde zijn dat dit niet was wat ik wilde. De momenten waarop mijn stages ten einde liepen vroeg ik me telkens af wat ik had bereikt. Ik merkte dat het me niet de voldoening gaf die ik wel graag zou willen in mijn latere werk. Ik bleek minder sterk te zijn in het aanspreken van leerlingen op wangedrag. Een welbekend verschijnsel trof ook mij, ik vond het jammer dat ik als docent vaak politieagentje moest spelen. Terwijl sommigen van nature een soort overwicht hebben en goed zijn in het sturen en vooral ondersteunen van een groep leerlingen, ben ik hier volgens mij minder sterk in. Ik ben me ervan bewust dat ik door ervaring kan leren hoe je omgaat met moeilijk lerende studenten. Ik ben op dit moment nog niet helemaal zeker of ik, door te doceren, deze ervaringen zou willen vergaren in de aankomende tien jaar.   

Na mijn stage in leerjaar twee bij het Summa college Fashion bleek dat ik talent had om (in samenwerkingsverband) op metaniveau het werkproces in de gaten te houden, de kwaliteit te waarborgen en problemen aan te kaarten. Ik besloot dat ik dit talent wilde gaan benutten. Dit werd echter lastig in een binnenschoolse omgeving. Ik moest dus op zoek gaan naar een rol in het museum of in een andere cultuurinstelling die goed bij mij zou passen. Daarnaast speelde er nog iets anders. Ik merkte dat ik mij liever bevond in het epicentrum van vooruitgang in de kunstwereld. Ik wil het museum als epicentrum zien, alhoewel dit niet altijd het geval is. (Graag wil ik hier verwijzen naar de tekst ‘als beschouwer’ en ‘waar zie ik mezelf over vijf jaar?’ waar ik het belang van musea uiteenzet).

Op dit moment loop ik (deels) stage bij het Van Abbemuseum. Nu ik dan eindelijk een museum eens een klein beetje van binnenuit kan bewonderen ben ik niet meer zeker van mijn eerdere wens. Pijn, leed, een mogelijk hopeloze drang naar vooruitgang. Nee in het museum is een andere rol voor mij weggelegd.

Het valt me op dat telkens eenzelfde groep kunstliefhebbers een museum bezoekt en dat dit verschijnsel al zeker tien jaar onderwerp van discussie is in de museumwereld[1].

Musea lijken steeds meer nadruk te leggen op inclusie. Met een specifieke focus op o.a. etnische inclusie, nijgt het kunstmuseum wat mij betreft meer en meer naar een antropologisch kunstkabinet[2]. Dit hoeft op zich niet problematisch te zijn, aangezien het een bewuste keuze is? Ik vind het dan wel de taak van het museum, haar bezoekers handreikingen te bieden bij het begrijpen van bepaalde culturele veranderingen zowel in het museum als daarbuiten. Maar hoe, wie, waar en wanneer?



[1] Document 3: Roovers, Jana, Personae non Gratae, 2017.

[2] Haas, Jonathan, The Changing role of the Curator, p. 238, 2003.

Document 1.

Werken in de publieke ruimte. Beeldkwestie 2016/2017. 

Document 2: 

 

Project Kepenek, voor Beeldlab leerjaar 2016-2017. 

Wie ben ik?

  

Het doet aan als een gezellig familiespel, met een kort maar krachtige uitkomst: ik ben Jana. Wie ik ben blijkt een ingewikkeldere vraag naar mate mijn leeftijd vordert en studiekeuzes mijn leven richting geven. Als ik bepaal wat ik studeer bepaal ik mede wat ik wil zijn. Na tweeëneenhalf jaar gestudeerd te hebben weet ik ongeveer waar ik terecht zou kunnen komen: voor de klas in het voortgezet onderwijs, ik zou educatief materiaal kunnen ontwikkelen in het museum, maar ik zou ook autonoom kunstenaar kunnen worden. Wat een keuze stress.

Of toch niet? Lukt het me om de drievoudigheid van de opleiding te omarmen?

De Kunsten.

 

Het kader dat ik mezelf tweeëneenhalf jaar geleden heb geboden. Met een kunstenares als moeder kan ik gerust zeggen dat (bijna) mijn gehele leven in het tekenen stond van de beeldende kunst. Ik besloot dit door te zetten. Mijn wens museumrondleidingen te geven hoopte ik dan ook te kunnen vervullen na gestudeerd te hebben aan de ABV. Nauwelijks kon ik verantwoorden waarom ik het museum zo boeiend vond. Waarom bezocht ik musea? Wat zocht ik daar? Als ik het niet weet, wat verwachtte ik dan van de (niet-)cultuur liefhebber?

Zakelijk:

Stage 2015-2016: De KSE Ettenleur, mbo 4- vwo 5.  

Stage 2016-2017: Projectweek Summa College Fashion Eindhoven, Niveau 2-4.

Stage 2017-2018: Radically Mine project Van Abbemuseum, (daarnaast ook nog andere bezigheden in het museum)

Als kunsteducator

 

vind ik het belangrijk dat het niet perse de inhoud van de expositie is die moet gaan over inclusiviteit, de expositie moet inclusief zijn. Het is de manier waarop een kunstwerk geëxposeerd wordt, hoe kennis wordt overgedragen. Meestal, als je het hebt over kennisoverdracht in een museum, wordt een specifieke groep mensen ingezet om bijvoorbeeld rondleidingen te ontwerpen. Dit is een laag die gelegd wordt over een expositie heen. Volgens mij gaat het hier fout. Ik hou dit overigens zelf in stand: ik ben momenteel een familietour aan het ontwikkelen voor het van Abbemuseum, die voor langere tijd ingezet moet kunnen worden.

Echter, de expositie is er al en ik maak daar een rondleiding ‘bij’ zonder weet te hebben van de eigenlijke doelstellingen van de curator. Het Van Abbemuseum is tevens een perfect voorbeeld van inclusiviteit niet in de manier waarop iets gepresenteerd wordt maar in de wijze waarop de rondleidingen ingericht zijn. Ik geloof dat een museum pas echt inclusief kan zijn als ze haar positie te midden van de samenleving eerst kritisch bekijkt en daar aansluitend positioneert. Wat wil je als museum uitstralen? Wat wil je als museum bereiken?

Ik zie een museum als een pedagogische instelling. (In document 3 zet ik enkele rollen van een museum uiteen, zoals een museum als afspiegeling van de samenleving[1]). Want hoe je het wendt of keert, bij de totstandkoming van exposities vind een selectie plaats met bepaalde vooropgestelde doelen, is informatieoverdracht of ook wel kennisoverdracht via beeld het meest voorname doel. Dit vereist een innige samenwerking tussen de educatieve afdeling en de curator. Ik geloof dat het curatorschap ook betekent dat je educatief onderlegd moet zijn. Eigenlijk een samenvoeging van het educatorschap en het curatorschap: educator.

Als kunsteducatief document had ik graag de familietour willen bijvoegen die ik voor het Van Abbemuseum aan het ontwikkelen ben. Helaas is deze nog niet af. Iets soortgelijks is het crosslab voor het textielmuseum wat ik heb gevolgd. Het museum had de vraag of studenten een familietour zouden willen ontwikkelen die families door het gehele museum zouden leiden. Het museum legde expliciete nadruk op de ouder-kind relatie. Helaas heb ik geen document wat ik goed genoeg vond om bij te voegen. Daaruit komt de keuze voort om, met het oog op inclusiviteit, te kiezen voor twee beeldende documenten en een beschouwende.



[1] Document 3: Roovers, Jana, Personae non Gratae, 2017.

Foto van Jana Roovers

Document 2: 


Project Kepenek,voor Beeldlab leerjaar 2016-2017. Proces en inspiratie, foto's afkomstig van het internetonder zoekterm 'kepenek'.

https://www.google.nl/searchq=kepenek&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ved=0ahUKEwj8xuLAsOTZAhWSKewKHVKiD8oQ_AUICigB&biw=1280&bih=659

Als beschouwer 

 

vind ik het van het allergrootst belang dat de discussie, die eveneens deel uitmaakt van het werk of ook mijn werk, plaatsvindt in een museum. Een museum is in die zin een pedagogische instelling die het publiek een platform zou moeten bieden voor actieve, sociaal constructieve kennisverwerking. Er zijn meerdere redenen dat een museum zou moeten dienen als platform voor discussie: het is een broodnodige reflectiemogelijkheid voor de curator, het publiek is nodig bij het verkleinen van de afstand tussen bezoeker en museum, andere participatiemogelijkheden zijn schaars en lastig te organiseren.

Discussiëren in een museum is nu een happening, ik zou graag willen dat juist deze discussies als ‘normaal’ gezien worden. Ik denk daarom dat ‘speciale discussieavonden’ niet zozeer de oplossing zijn. Ik zie meer mogelijkheden in het aanpassen van de traditionele rondleidingen. Een interessant voorbeeld is het MU wat als familietour een beschouwingsmethode hanteert. Dit brengt een gesprek tussen ouder en kind tot stand. Bij het ontwikkelen van de familietour voor het Van Abbemuseum zal ik zeker kijken naar de bestaande mogelijkheden om discussies in een museum tot stand te brengen. In de optimale omstandigheid zal deze discussie zich thuis voortzetten.  

Waar zie ik mezelf over 5 jaar?

 

Mijn ambitie is museum-educator te worden. Maar niet zonder de eigenlijke rol van curator eens grondig te onderzoeken.

Document 3: In het essay Personae non Gratae probeer ik antwoord te geven op de vraag ‘Wat is de invloed van het hedendaagse curatorschap en zijn huidige autoritaire druk op de rol die het museum inneemt ten midden van de westerse multicultureel ontwikkelende samenleving?’.

In het essay omschrijf ik de ontwikkelingen en veranderingen in de rol van curator. Ik herken in het hedendaagse curatorschap een samensmelting van de kunsteducator en museumcurator. Door de regels heen probeert ik me af te vragen wat het curatorschap voor mij in kan (gaan) houden. Ik stel voor de term expositie te wijzigen naar ‘Inclusitie’, wat een buiten naar binnen relatie moet benadrukken. De samenleving moet samenkomen in het museum. Mijn essay heeft betrekking op de competenties: 19, 19.1, 24, 24.1, 25.1, 26, 32, 32.1, 34, 34.1, 34.2. In mijn, soms iets te brede onderzoek, ben ik gestuit op enkele mankementen rondom inclusiviteit in de museumcultuur. De rol van curator is veel veranderd. Ik geloof dat deze nog steeds aan het veranderen is. Ik wil hier deel van uitmaken, ik wil mede invulling geven aan de rol van curator. Daarnaast wil ik de afstand tussen het museum en de bezoeker kleiner maken, een eerste stap zou zijn het integreren van discussies omtrent de kunsten.

In museale context geloof ik dat ik iets kan bijdragen, dit gevoel heb ik minder als docent. Dit ‘iets’ wat ik zou kunnen bijdragen kan ik nog niet helemaal definiëren. Als docent heb ik het gevoel dat ik vanaf de zijlijn toekijk hoe anderen opdragen wat kunst is, wat kunst kan zijn, waartoe kunst kan dienen, hoe kunst kan bijdragen aan onze samenleving. Wat ik me wel kan voorstellen is dat ik vanuit mijn positie in het museum gastlessen geef, zoals bij het Radically Mine project! ook het geval is.

Waar ik wel zeker van ben is dat ik altijd beeldend werk zal blijven maken. De positie die mijn makerschap later in gaat nemen laat ik graag vrij. Ik gun mezelf de kans om er alle kanten mee op te gaan. 

Graag wil ik in het vierde jaar stagelopen bij het Stedelijk museum Amsterdam. Het museum heeft namelijk een samenwerkingsverband met het Van Abbemuseum omtrent inclusiviteit in het museum. Wat al resulteerde in  ‘Studio i’[1]. Ik ben erg nieuwsgierig hoe het Stedelijk museum het inclusieve beleid inricht. Ik weet dat de kans op een stageplek bij het Stedelijk museum in Amsterdam klein is, maar ik ga het in ieder geval proberen……en er nog even over dromen.

 
   

 



[1] Studio i: platform voor inclusieve cultuur, bezocht op 11-03-2018, http://www.studio-inclusie.nl/.

Document 3:


Essay voor vakbeschouwing, leerjaar drie. 

                                               Personae non Gratae



 

Het doet aan als de meest voorkomende slogan van het afgelopen jaar: ‘museums zijn wit en weinig inclusief’. Personages als Imara Limon, Roberto Bedoya, Marleen Hartjes, Steven ten Thije, Jonathan Haas en zelfs sceptici als Edward Rothstein houden zich, in de breedste zin, bezig met het thema inclusiviteit. Verschuivingen zijn gaande in museumland, ofwel lawinegevaar[1]. Confrontatie is een sleutelwoord in de veranderingen die zullen moeten plaatsvinden. Maar wie moet het heft in handen nemen bij de aanpak van dit, zo het lijkt, sociaal-maatschappelijke probleem?

Het meest waarschijnlijke antwoord zal zijn ‘het museum’. Maar wie is dit museum dan?  

 

In de loop der tijd heeft de curator, mogelijk ongewild, veel macht verworven.

Hij is van grote invloed op wat kunst is of kan zijn. Of zoals Fiske Kimball het in 1928 al verwoordde: ‘The calling of the museum curator is a profession like that of the doctor, the lawyer, or the architect, with an exacting preparation, and very real public duties and responsibilities, which should be more widely understood’[2]. Kimball zet het belang van de curator in één lijn met het belang dat wij hechten aan de dokter, de advocaat en de architect. Hiermee laat hij zien dat er in 1928 al werd gesproken over ‘erkenning’ voor de rol van curator.

Maar de rol die de curator indertijd toegeschreven kreeg, verschilt veel van de invulling die wij het vandaag de dag verlenen. Volgens mij zien wij de erkenning voor de curator waar Kimball het over heeft vandaag de dag terug in het feit dat wij, als burgers, de curator mede laten bepalen wat kunst is. De curator verkrijgt hiermee een zeer machtige positie.

Voorheen zouden curatoren moeten streven naar onpartijdigheid. Exposities zouden zijn bedoeld voor het genot welke tevens moesten dienen als ‘richtlijnen’. Zo het klinkt, werd er getracht naar een meest objectieve manier van selecteren.

Door enkele rebellerende curatoren herkennen we vanaf 1960 een omslag in de rol van het curatorschap. Wat voorheen een onzichtbare baan leek, met de taak om zo neutraal mogelijk de kunstgeschiedenis te volgen[3] verandert compleet. Tegenwoordig staat de curator in dienst van het museum of werkt op projectbasis aan de samenstelling van exposities. De curator neemt verantwoordelijkheid voor exposities, bedenkt een tentoonstellingsconcept (uiteengezette lijn), komt met de titel, selecteert getoonde werken etc. Jonathan Haas noemt hedendaagse curatoren zelfs het ‘academisch leiderschap’ van het museum[4], mede met een verantwoordelijkheid educatieve programma’s vorm te geven. Ik sluit mij erbij aan dat de verantwoordelijkheid voor educatieve programma’s met name ligt bij de curator. Simpelweg met de reden dat een expositie (en dus curator) een kijker altijd iets bij wil brengen met een vooropgesteld doel. Kennis van een bepaalde kunstenaar, kennis van een bepaald kunstwerk, kennis van een bepaalde techniek, het kennis nemen van bepaalde esthetische gevoelens.  

 

Een goed voorbeeld van een zogenaamde nieuwe stijl curator is prijswinnares Museumtalent 2017: Imara Limon. Waar Audrey Davis uitgaat van educatie niet direct in de expositie zelf, maar in de catalogus, wil Limon educatie en curatorschap met elkaar in verbinding brengen. In 2016 kwam ze dan ook op de proppen met de expositie New Narratives in het Amsterdam Museum. Ze gaf zwarte Amsterdammers de kans te vertellen over hun zwarte rolmodellen.

De reactie van museumdirecteur Judikje Kiers: ‘vanaf nu streeft het museum naar inclusiviteit’.

Terwijl Kiers in 2016 een wonderlijke openbaring beleefde, hadden anderen in de kunstwereld al zeker zo’n zes jaar geleden de focus verlegt naar minderheidsgroepen. Als nationaal voorbeeld het werk van Jonathan haas, het Special guest programma van Marleen Hartjes en op internationale schaal The Institution for the Inclusive museum. Laatstgenoemde organiseert eveneens, op internationale schaal, conferenties rondom inclusiviteit.

Ik denk dat we wel kunnen zeggen dat de rol van museumcurator aan het veranderen is. Maar wat betekend dit voor de rol die het museum inneemt te midden van zijn samenleving?

 

Nadat in 2011 bruut werd gekort op cultuurinstellingen leek het erop dat, zeker musea, niet als relevant werden aangemerkt. Men bezocht het museum wel, maar ervoer het klaarblijkelijk niet als zeer essentieel voor deze maatschappij. Misschien is het voor veel bezoekers zelfs te vergelijken met een bioscoopbezoek. Zo, weer een dagje gevuld. Maar als het erop aankomt, zal deze bezoeker (niet onterecht) stilzwijgend aan de kant staan toekijken hoe de overheid musea ten gronde richt[5].

Wiens verantwoordelijkheid is het om de bezoeker aan het museum te binden? Ligt deze verantwoordelijkheid bij de marketingafdeling, of toch bij de curator?

Met de relevantie van educatie in exposities vastgesteld ben ik van mening dat het museum de belevingswereld van een bezoeker moet aanspreken. Ik heb dan ook vertrouwen in het museum als afspiegeling van de, in dit geval Nederlandse, samenleving. Niet in de traditionele vorm overigens.

Ik pleit dan ook voor een samenvoeging van de woorden expositie en inclusie: Inclusitie.

Expo(seren) heeft zijn stam in het Latijn: ex = uit/buiten, positus = geplaatst. ‘Expositus’ betekent dus letterlijk: buiten geplaatst. De originele betekenis is te verstaan als “tentoongesteld, blootgesteld, uitgelegd, uitgezet”. De betekenis legt in ieder geval een nadruk op een ‘van binnen naar buiten’-relatie. Een expositie is opgelegd van een binnenste kern naar de buitenwereld. Inclusus komt eveneens uit het Latijn en heeft als betekenis: ingesloten, vast gehouden[6].

Ik denk dat een nieuw begrip bevorderlijk is voor inclusiviteit in de museumwereld, enkel al als motivatie. Dit begrip moet juist een ‘van buiten naar binnen’-relatie benadrukken. Een in-clu-sitie moet het publiek betrekken bij het museum. Je weet dan welke groep je juist wel of juist niet bereikt, omdat er een actieve houding  van het publiek wordt gevraagd. Er ligt dus een nadruk op de respons van de bezoeker. De buitenwereld wordt opgenomen in het museum.

Anderzijds kan ‘inclusitie’ ontaarden in betekenissen als gevangenhouden, bijhouden, insluiten. Dit is een ander uitersten waarvan ik denk dat we niet bang hoeven te zijn die op korte termijn te bereiken.

 

Het is tijd voor een grote stap. Het is tijd dat kunstmusea zich zo veel mogelijk losmaken van overheidsgelden en actief opzoek gaan naar ‘klanten’. Redelijk veel musea worden nog steeds door de overheid met subsidies gesteund[7]. Wat betekent dat ze zich wel bezig zouden moeten houden met inclusiviteit. Dit gebeurt echter veel te weinig. Subsidies maken lui, naar het schijnt.

Maar wat als het museum niet meer kan rekenen op overheidssteun. Dan kan je stellen dat door onderlinge concurrentie het museum geen plek meer is voor objectieve kunstbeschouwing. Dat het museum commercieel wordt. Anderzijds is net duidelijk geworden dat er in de hedendaagse rol van curator allang geen ruimte meer is voor ‘objectieve kunstselectie’. In het geval van het museum als commerciële instelling, hebben we het niet enkel over publiek, maar ook over klanten.

De klant is koning, waar heeft de klant behoefte aan? Wat mist de klant in het museum? Dit zorgt voor een verschuiving: de klant vertelt het museum (eveneens de curator) wat er te zien moet zijn i.p.v. het museum als toonaangevende standaard. Ordinair vraag en aanbod.

De curator moet dan op de hoogte zijn van de behoefte van de klant en kan niet enkel vanuit een eigen passie of impuls te werk gaan.

 

Om terug te komen op de vele verantwoordelijkheden van de curator, de curator begeeft zich in een positie om exposities en eveneens het museum inclusiever te maken. Niet enkel inhoudelijk maar ook door de manier waarop een werk wordt geëxposeerd. Met het bedenken en opzetten van exposities kan al worden bepaalt wat voor publiek naar het museum af zal reizen. Het soort expositie, het onderwerp, het doel, dingen waar juist de curator invloed op heeft zijn bepalend voor de rol(len) die musea in kunnen nemen in onze westerse multicultureel ontwikkelende samenleving. Of dit publiek dan ook ‘de weg naar het museum’[8] zal vinden is nog de vraag. Daar begint het definiëren van een, misschien nog wel, onontdekte rol. Mogelijk die van de intermediair tussen een museum en zijn doelgroep.

 

Bibliografie

 

Andriessen, M. (2014, Januari 25). Het Financieele Dagblad. Opgeroepen op Januari 17, 2018, van Het tijdperk van de curator: https://fd.nl/binaries/11/48/52/Krant-20140125%20-1-024-013.pdf

Blokker, B. (2016, Oktober 6). NRC. Opgeroepen op Januari 3, 2018, van Zwart Amsterdam in hagelwit museum: https://www.nrc.nl/nieuws/2016/10/06/zwart-amsterdam-in-hagelwit-museum-4634247-a1525354

Bool, C. (onbekend, x x). FramerFramed. Opgeroepen op Februari 1, 2018, van Het museum als instituut staat ter discussie: https://framerframed.nl/dossier/het-museum-als-instituut-staat-ter-discussie/

Cousijn, M. (2016, Januari 27). Waarom iedereen zich tegenwoordig curator noemt (en of dat erg is of niet). Opgeroepen op Januari 22, 2018, van De Correspondent: https://decorrespondent.nl/3941/waarom-iedereen-zich-tegenwoordig-curator-noemt-en-of-dat-erg-is-of-niet/513180381098-6f8e30ab

Deleuze, G., & Guattari, F. (2004). Rizoom; een inleiding. In G. Deleuze, & F. Guattari, Rizoom; een inleiding (p. x). Utrecht: Spreeuw.

Galla, A. (2018, x x). International institute for the Inclusive museum. Opgeroepen op Januari 17, 2018, van Executive Director : http://inclusivemuseum.org/director/

Haagsma, L. (2014, 11 17). De celebrity-curator. Opgeroepen op Maart 1, 2018, van Metropolis M: http://www.metropolism.com/nl/opinion/23712_de_celebrity_curator

Haas, J. (2003, September 30). The Changing Role of the Curator Author(s). Anthropology: Curators, Collections and Contexts. , 237-242.

Helvoort, L. (2011, augustus 31). Het kader van de curator. Opgeroepen op februari 26, 2018, van Universiteit van Amsterdam, UVA scripties online.: http://scriptiesonline.uba.uva.nl/cgi/b/bib/bib-idx?c=uvascript;sid=64360acb6eb91eb1f003139880afb13d;lang=nl;type=boolean;rgn1=faculty;q1=FGw;op2=and;rgn2=year;q2=2011;sort=publicationyear;cc=uvascript;view=reslist;fmt=long;page=reslist;size=1;start=182

Kimball, F. (1928). The Museum Curator and the Public Author. Bulletin of the Pennsylvania Museum , 24 (123), 29-30.

Lent, D., & Kammer, K. (2016, juli 7). Voor kleinere musea is het vaak ploeteren. Opgeroepen op maart 9, 2018, van NRC: https://www.nrc.nl/nieuws/2016/07/07/zonder-passie-lukt-het-niet-3103911-a1509408

Limon, I. (2017, Oktober 12). Genomineerden museumtalent 2017. (M. Fonds, Interviewer)

Mondriaan fonds. (2016, December 9). Mondriaan fonds. Opgehaald van Bijeenkomst presentatie Het geëmancipeerde museum: https://www.mondriaanfonds.nl/wp-content/uploads/2016/12/Verslag-en-Nawoord-Bijeenkomst-Het-ge%C3%ABmancipeerde-museum.pdf

Odding, A. (2011, Januari 1). Stichting Doen. Opgeroepen op Januari 30, 2018, van Het Disruptieve museum: file:///Users/Janaroovers/Downloads/Het-disruptieve-museum.pdf

Peeters, C. (2015, Maart 30). Is de kunstkritiek vluchtig en oppervlakkig geworden? Opgeroepen op December 3, 2017, van Vrij Nederland: https://www.vn.nl/is-de-kunstkritiek-vluchtig-en-oppervlakkig-geworden/

Rijksdienst voor Cultureel erfgoed. (2017, Oktober 5). Rijksdienst voor Cultureel erfgoed. Opgehaald van Imara Limon is het Museumtalent 2017: https://cultureelerfgoed.nl/nieuws/imara-limon-is-het-museumtalent-2017

Schumacher, R. (2015). Kunstkritiek als exact vak. Rotterdam: NAi boekverkopers.

Thije, S. T. (2016). Het geemancipeerde museum . Rotterdam : Mondriaan Fonds.

Veen, D. P. (1997). Etymologisch woordenboek, de herkomst van onze woorden. . In D. P. Veen, Etymologisch woordenboek (p. 279). Utrecht/Antwerpen.: Van Dale Lexicografie bv.

 

 

 

 

 



[1] Odding, Het disruptieve museum, pag. 25, 2011.

[2] Kimball, The museum curator and the Public, page. 29, 1928.

[3] Cousijn, De Correspondent, januari 2016.

[4] Jonathan Haas, The Changing Role of the Curator, pages 238-239, 2003.

[5] Ten Thije, Steven, Het geëmancipeerde museum, p. 35.

[6] Veen, Dr. P.A.F. en Sijs, Drs. Nicoline van der, Etymologisch woordenboek, van Dalen, p. 279.

[7] Lent van, Daan, Kommer, Claudia, Voor kleinere Musea is het vaak ploeteren, NRC, 2016.

[8] Ten Thijs, Steven, Het geëmancipeerde museum, 2016.

Bibliografie

Blokker, B. (2016, Oktober 6). NRC. Opgeroepen op Januari 3, 2018, van Zwart Amsterdam in hagelwit museum: https://www.nrc.nl/nieuws/2016/10/06/zwart-amsterdam-in-hagelwit-museum-4634247-a1525354

Haas, J. (2003, September 30). The Changing Role of the Curator Author(s). Anthropology: Curators, Collections and Contexts. , 237-242.

Roovers, J. (2017). Personae non Gratae. Tilburg: x.

Van Abbemuseum,. (2017, 7 1). THE WAY BEYOND ART. Opgeroepen op Maart 8, 2018, van Van Abbemuseum: https://vanabbemuseum.nl/programma/programma/the-way-beyond-art/

 

Stadhuisbrug cultuur & reclamezuil, DUIC krant.

Gevonden op 09-03-2018.

https://www.duic.nl/algemeen/stadhuisbrug-tijdelijke-reclamezuil/