Wil je graag weten waarom net ik dit onderzoek deed?
Lees dan zeker het waarom en waarvoor.
Wil je graag weten wat ik onderzoek en hoe ik onderzocht?
Lees dan zeker het wat en hoe.
Wil je weten wat die specifieke context juist inhoudt, en wie mijn doelgroep is?
Lees dan zeker het waar en wie.
Fascinatie
Er gebeurt iets met me als ik samen met mijn twee cabaretcompanen in afzondering kruip. Als we ons compleet van de wereld begeven in hogere humoristische sferen. Als we op reis kunnen gaan in ons eigen hoofd en de tijd, de wereld (waar we ons op dat moment in bevinden) en zelfs onszelf even volledig kunnen verlaten.
Door humor te gaan creëren, ervaar ik duidelijk een innerlijke vrijheid.
Een vrijheid van geest.
Een gevoel van heerlijkheid.
Ik ben een Vlaams acteur, theatermaker, cabretier, kunsteducator en vader van drie.
Humor is mijn methode om een innerlijke vrijheid op te zoeken. Maar zou dat dan ook voor anderen zo kunnen zijn? Zouden anderen ook deze innerlijke vrijheid kunnen ervaren door humor bewust op te zoeken? En zou de wereld dan geen mooiere plek kunnen zijn als iedereen wat meer humor ziet rondom zich? Want lacht niet iedereen graag? En wat zou humor nog meer kunnen losweken?
En hoe zit dat dan op een plek waar vrijheid een erg beladen term is? In gevangenschap? Is er wel humor in een gevangenis?
Volgens dokter in de psychiatrie William F. Fry is er tot op heden nog geen enkele plek op aarde ontdekt waar humor tussen mensen niet aanwezig is. (Fry, 1994)
Dus hiervan uitgaand, stond ik in de startblokken om een volledig nieuwe wereld te gaan ontdekken.
Daarenboven deel ik de mening die kunstenares en kwalitatief onderzoekster Sarah VanHee er op nahield na het maken van haar docu-film ‘The making of justice’ dat je een maatschappij pas echt leert kennen in de delen van diezelfde maatschappij die men verborgen probeert te houden of vanuit de stemmen die ongehoord blijven. (Van Hee, 2017)
Ik geloof dat je zo echt het figuurlijke hart van een maatschappij kunt ontdekken en de gevangenis is uiteraard zo één van die ‘duister geheime’ plekken.
Idealisme
Als gewone burger kom je zelden in contact met een plek zoals de gevangenis. Daarnaast krijgen we een vertekend beeld mee, vanuit de maatschappij en de reguliere mediabronnen, wie en wat een gedetineerde zou moeten zijn. Ik geloof hier niet (meer) in en wil vooral eerst naar de mens kijken. Het absolute karakter van een gevangenis omgeving blijft de norm en hier ben ik niet altijd van overtuigd dat dit de beste manier is. De vaak dehumaniserende aanpak zorgt ervoor dat een gedetineerde niet enkel van zijn fysieke vrijheid ontnomen wordt, maar ook dat zijn innerlijke vrijheid stevig aangetast wordt. Zijn mens zijn, vader zijn, vriend van zijn, werknemer zijn, deel van de sociale maatschappij zijn, deel van een hobby-groep, … wordt hen ontnomen, vanaf je in de gevangenis moet, ben je in de eerste plaats vooral een gedetineerde.
Kunst kan hier volgens mij een belangrijke tegenstem in spelen.
Kunst als middel voor innerlijke vrijheid in de gevangenis
In gevangenissen, waar fysieke vrijheid sterk beperkt is, zou kunst een krachtig middel kunnen zijn voor het bevorderen van innerlijke vrijheid. Het creëren en ervaren van kunst biedt gedetineerden de kans om hun emoties, gedachten en ervaringen te verwerken, dit kan bijdragen aan hun psychologische en emotionele welbevinden.
Een van de belangrijkste manieren waarop kunst bijdraagt aan de (her)vorming van gedetineerden, is door het bieden van een uitlaatklep voor zelfexpressie. In de gevangenis, waar gedetineerden vaak met een gevoel van machteloosheid en isolatie kampen, kan kunst hen in staat stellen om hun persoonlijke ervaringen en gevoelens te externaliseren en een eigen stem te vinden. Zoals blijkt uit studies naar kunsttherapie in gevangenissen, kunnen creatieve processen zoals schilderen, tekenen, muziek maken of schrijven gedetineerden helpen om hun emoties te begrijpen en te verwerken, wat bijdraagt aan hun mentale gezondheid (Achterberg, 2015).
Daarnaast speelt kunst een belangrijke rol in de (her)ontwikkeling van hun individualiteit. In gevangenissen wordt de identiteit van veel gedetineerden vaak sterk gekarakteriseerd door hun status als misdadiger. Kunst kan hen echter helpen om zichzelf op nieuwe manieren te zien en de mogelijkheid te bieden zich los te maken van het stigma dat hen omgeeft. Onderzoek toont aan dat kunstparticipatie kan bijdragen aan positieve gedragsveranderingen en het versterken van het gevoel van eigenwaarde bij gedetineerden (Seiter, 2014).
Kunst biedt ook een gevoel van autonomie en controle, aspecten die in een gevangenisomgeving vaak schaars zijn. Door zelf keuzes te maken in het creatieve proces – zoals het kiezen van materialen, thema's of technieken – kunnen gedetineerden een gevoel van controle ervaren dat hen anders ontzegd wordt in hun dagelijks leven. Dit proces kan bijdragen aan het versterken van hun zelfvertrouwen en hen helpen om innerlijke vrijheid te vinden, zelfs in een omgeving die hen anders zou kunnen beperken (Cohen, 2016).
Kunst kan ook als een middel voor sociaal contact fungeren, zelfs binnen de muren van een gevangenis. Het samenwerkingsaspect van kunst – of dit nu in de vorm van groepskunstprojecten of gezamenlijke tentoonstellingen is – kan gedetineerden helpen om sociale verbindingen te leggen en het gevoel van eenzaamheid te verminderen. Sociale interactie speelt een cruciale rol in het welzijn van gedetineerden, en kunst biedt een positieve manier om deze interacties te bevorderen (Hughes, 2019).
Kunst heeft dus mogelijks ook het potentieel om gedetineerden te helpen innerlijke vrijheid te ervaren, zelfs in de gevangenis. Door zelfexpressie, het (her)ontwikkelen van een individualiteit, het verkrijgen van autonomie en het bevorderen van sociale verbindingen, kan kunst bijdragen aan het psychologisch herstel van gedetineerden. Het is duidelijk dat kunst een waardevol hulpmiddel is in het bevorderen van welzijn en positieve gedragsverandering binnen het gevangeniswezen, maar stimuleert het ook een gevoel van vrijheid van geest en zorgt het hierdoor zorgend voor een stapje dichter bij herstel? Bovenstaande eigenschappen zullen leidend zijn in mijn interventies.
En vandaar dat ik graag samen met hen kunst wil maken, in de vorm van samen een cabaretscène creëren, startend vanuit (hun) humor in de hoop dat ik hun gevoel van innerlijke vrijheid kan stimuleren.
Onderzoeksvraag
Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-Hulp arresthuis, vrijheid van geest aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor?
Deelvragen
- Wat is vrijheid van geest?
- Hoe wordt vrijheid van geest onderzocht?
- Waar situeert zich vrijheid van geest binnen de context van detentie?
De reis van mijn onderzoeksvraag
Doorheen dit onderzoek veranderde mijn onderzoeksvraag. In mijn onderzoeksplan formuleerde ik volgende vraag:
Op welke manier kan participatief co-creatief werken vanuit humor een gevoel van vrijheid stimuleren in de gevangenis?
Hier besefte ik dat een gevoel van vrijheid te vrijblijvend was en dus werd dit:
Op welke manier kan participatief co-creatief werken vanuit humor een gevoel van vrijheid van geest stimuleren in de gevangenis?
Ik merkte tijdens het voorbereiden van mijn interventies dat vooral het uitgangspunt van de scène startte vanuit de hamvraag humor in detentie en dus nuanceerde ik de vraag:
Op welke manier kan participatief co-creatief werken startend vanuit humor een gevoel van vrijheid van geest stimuleren in de gevangenis?
In deze vraag zit echter al een heel grote aanname. Door 'op welke manier' te formuleren suggereer ik dat er eigenlijk al een zekerheid bestaat dat vrijheid van geest gestimuleerd wordt in detentie. Uiteraard kan het antwoord nog steeds zijn, op geen enkele manier, maar toch stoorde die suggestie mij. Dus veranderde de vraag naar:
Wat kan een participatieve co-creatie startend vanuit humor betekenen voor de vrijheid van geest in gevangenschap?
Door deze aanpassing werd de onderzoeksvraag toch weer ruim, te ruim. Want wat kan het betekenen? Om dit op 8 sessies te gaan onderzoeken, lijkt haast een onmogelijke taak. Daarnaast was de term gevangenschap ook te breed, ik ben ten slotte maar in één detentiehuis gaan onderzoeken, hoe kan ik dan spreken over het hele gevangeniswezen? Ik moest dit terug vernauwen, de focus juist leggen. Daarenboven mistte ik nog het idee dat ik echt vanuit de humor van de doelgroep startte. We werkten vanuit hun humor. Daarom paste ik mijn onderzoeksvraag nog een laatste keer aan en resulteerde deze reis in volgende vraag:
Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-hulp arresthuis, vrijheid van geest, aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor?
Onderzoeksmethode
- Theoretische verkenning
Doordat de context dit onderzoek enorm bepaalt, voel ik wel de nood om deze context vanuit verschillende perspectieven te gaan onderzoeken. Daarnaast zijn er veel beladen termen in mijn onderzoeksvraag, ook hier zoek ik een antwoord op.
- Fysiek kennis maken met de context.
Dit was een spannend moment voor mij, de eerste keer de gevangenis betreden. Niet wetende wat er te vinden, maar wel noodzakelijk om vooraleer ik mijn praktijkonderzoek zou beginnen, de gevangenis te bezoeken.
- Gesprekken voeren met partners
Voorbereidende gesprekken met de nodige partners, de directie van de gevangenis, de verantwoordelijken vanuit Archipel (de organisatie die zorgt voor de bibliotheek, cultuur, lokalen voor lessen, vorming, sport en religieuze activiteiten binnen detentie), interne extra observator,...
- 8 praktijksessies/ co-creatieve groepsessies.
Ik heb samen met 8 gedetineerden 8 sessies begeleid rond humor. Hier voerden we gesprekken, werden we geïnspireerd door elkaar, improviseerden we samen, lachten we vooral ook veel samen, creëerden we samen en evolueerden we samen. De 8 sessies werden onderverdeeld in 4 groepen van steeds twee sessie.
- 2 brainstormsessies
- 2 creëersessies
- 2 schrijfsessies
- 2 speelsessies
- Zelfreflectie van de deelnemers
Elke sessie werd beëindigd met een zelfreflectief moment van de deelnemers. Hier stelde ik hen steeds een gerichte vraag over het doel binnen elke sessie. Een open vraag waar ze open mochten mee omgaan. Antwoorden kwamen in tekstverband, in tekening, in één woord, in klank en soms ook niet.
- Observatie
Dit speelde een grote rol binnen mijn data verzameling. Aangezien ik beperkt werd binnen deze context en hierdoor geen beeldmateriaal mocht maken was dit niet altijd even simpel. Ik creëerde een eigen methode. Meteen na de sessies volgde er een braindump in de vorm van een observatieverslag. 2 dagen later herbekeek ik dit verslag en voegde ik dingen toe. 2 sessies waren ook met een interne extra observator. Ook daar kreeg ik een observatieverslag van. Door beperkingen binnen de context kon dit helaas niet vaker ingericht worden en om zelf een extra observator mee te nemen, was het te kort dag.
- Audioanalyse, gedeeltelijke transcriptie
Elke sessie werd wel auditief opgenomen. Hieruit haalde ik veel data die zorgde voor tussenconclusies en extra vragen.
- een interview/reflectiegesprek
Nadat alle sessies beleefd werden, interviewde ik de deelnemers die hiervoor open stonden. Vanuit de tussenconclusies vormde ik enkele open vragen. Deze interviews geven een verhelderend beeld voor mijn hoofdvraag. Hier paste ik gaandeweg deze stap aan. Ik merkte dat ik de laatste twee sessies best wel al diepgaandere reflectieve gesprekken hield, waardoor deze stap een verbredende herhaling zou kunnen zijn. Wat ik wel nog miste was een diepgaandere analyse van ons eindproduct, onze via co-creatie tot stand gekomen humoristische scènes. Dus liet ik deze scènes leidend zijn binnen deze interviews. Ik analyseerde samen met hen de co-creaties en hield een verbredend open gesprek rond het wat, hoe en waarom van de scènes. Deze methode leverde me waardevolle informatie op.
- opnieuw data-analyse
Hieruit vloeide opnieuw een analyse om de conclusies stilaan vorm te geven.
- Opnieuw gesprekken voeren met partners
Reflecterende gesprekken met de nodige partners, de directie van de gevangenis, de verantwoordelijken vanuit Archipel (de organisatie die zorgt voor de bibliotheek, cultuur, lokalen voor lessen, vorming, sport en religieuze activiteiten binnen detentie), interne extra observator,...
- opnieuw data-analyse
Hieruit vloeide opnieuw een analyse om de uiteindelijke conclusie vorm te geven.
De context
Mijn onderzoek vindt plaats in de hulpgevangenis van Leuven.
Sinds 1869 doet de Leuvense hulpgevangenis dienst als arresthuis, maar hier verblijven eveneens een aantal veroordeelden. Er is ook een psychiatrische afdeling.
De hulpgevangenis van Leuven werd in gebruik genomen tussen 1867 en 1869 en is gebouwd volgens het Ducpétiaux-model, ook wel het panopticonmodel genoemd, dus in stervorm.
Volgens sommigen verwijst de naam ‘hulpgevangenis’ naar haar functie als arresthuis ter ondersteuning van de correctionele rechtbank in Leuven. Dit in tegenstelling tot de landelijke functie van de centrale gevangenis in Leuven als strafhuis. Anderen stellen dat het gaat om een slechte vertaling van de Franse term ‘prison secondaire’. Benamingen als ‘het klein huis’ 'Het klein gevang' en later ‘Leuven-hulp’ werden in Leuven al snel ingeburgerde begrippen.
De vrouwelijke gedetineerden die in Leuven-hulp verbleven, verhuisden in 1966 naar de gevangenis van Vorst. Het is dus een louter mannelijke bevolking wat betreft de gedetineerden.
De hulpgevangenis is dus een typische stergevangenis met drie vleugels. Zij biedt plaats aan 149 mannelijke gedetineerden. Helaas verblijven er momenteel veel meer gedetineerden. Gemiddeld zijn er 205 gedetineerden die een plaats moeten krijgen in Leuven Hulp. De gedetineerden verblijven dus meestal met twee op één cel.
In zo een cel is niet veel ruimte. Er staat een bed, of stapelbed, een tafel/bureau, vaak een televisie (enkel kabel tv) een kast, een wastafel en een toilet (in sommige cellen met 'wc-hokje' open langs boven en onder en zonder deur, maar in de meeste cellen gewoon een ijzeren toilet), aan de muur hangt overal een prikbord en meestal zijn er nog wat geschreven/getekende sporen van voorgangers terug te vinden of hier en daar een vuistinslag, verder een raam op net te hoge hoogte met een tralies erachter, het raam kan enkel op kiepstand staan en tenslotte, heel opvallend, de deur zonder klink langs de binnenkant die, eenmaal gesloten, het gevangenschap erg onderstreept. In het midden van de deur, op ooghoogte, is er een vinket, een kijkluikje ter grote van een postkaart met een gordijntje voor aan de buitenkant. Zo kan je zelf nooit naar buiten in de gang kijken, maar wel ten allen tijde bekeken worden.
De beschikbare accomodaties binnen de gevangenis zijn: een wandelplaats met minivoetbalveld, een bibliotheek, bezoekaccomodaties (het gewone bezoeklokaal met glas, maar er is ook een grote open familiebezoekzaal (die tevens dienstdoet voor lezingen af en toe of een sporadische voorstelling) en er is ook ruimte voor ongestoord bezoek) en een lokaal voor lessen, vorming, sport en religieuze activiteiten. Dit laatste is ook de plek waar ik terecht kwam.
Gedetineerden kunnen huishoudelijke taken verrichten in de keuken, wasserij, bibliotheek, als sportmonitor of als diender van de sectie (de term die ze hiervoor hanteren is de fatik, maar ook de term sectieknecht durfde al eens te vallen) . Ook kunnen zij werken voor externe aannemers in één van de twee werkhuizen.
Ze mogen zich ook vrijwillig inschrijven voor het aanbod workshops die de revue passeren, maar aanmelding resulteert niet automatisch in deelname, dit wordt hogerhand geselecteerd als een gunst.
Er waren best wel wat aanmeldingen op de vraag of iemand zin had om mee te doen aan het project 'humor in detentie'.
Een uur voor mijn eerste sessie kreeg ik een lijst onder mijn neus geduwd: "Dit zijn de 8 deelnemers en dit zijn 4 mannen op de wachtlijst, in het geval dat er iemand niet zou komen opdagen. Want dat gebeurt nogal vaak, dat ze dan toch niet komen, of zich bedenken. Maar we hebben er fijne mannen uitgekozen."
De deelnemers hebben zich dus vrijwillig ingeschreven, maar werden niet vrijwillig geselecteerd, ze waren afhankelijk van het gevangenispersoneelslid die net hen had geselecteerd. Als gunst, omdat ze zich tot dan toe goed hadden gedragen en met het idee dat deze 8 deelnemers nog in deze gevangenis zouden zitten tot op het einde van de 8 sessies.
De periode van het project 'humor in detentie' was in samenspraak kort gehouden, 8 sessie in een verloop van 3 weken en half, naar mijn beschikbaarheid, naar de beschikbaarheid van het ontspanningslokaal en vooral ook naar kortheid van duur. Dit was me aangeraden. Leuven hulp is een arresthuis, het gros van de gedetineerden die daar zitten, zijn wachtende op een vonnis en kunnen elk moment overgeplaatst worden naar een andere gevangenis. Om de kans hierop te verkleinen dus deze intense korte periode.
De begrenzing van 8 deelnemers had twee redenen, enerzijds vanuit de gevangenis kwam de vraag om de groep niet te groot te maken (een maximum van 8 deelnemers), anderzijds zat in mijn onderzoeksstrategie zelf de bedenking om de groepsgrootte te beperken op 6-8 deelnemers om het behapbaar te houden. Behapbaar in de zin van kunsteducator om elke deelnemer voldoende individueel te kunnen begeleiden binnen de korte 8 sessies. Behapbaar als onderzoeker omdat ik binnen deze thematiek goed het overzicht wil kunnen bewaren en ook het gros van de sessies als enige observator aanwezig zal zijn. Uiteindelijk kwamen we overeen, om voldoende mannen de kans te geven deel te nemen, op het aantal van 8 deelnemers. Ook met het zicht op afvallers na een tijdje en hierdoor niet met een te kleine groep over te blijven. Ervaring leerde binnen de gevangenis dat dergelijke initiatieven oorspronkelijk veel interesse opwekten, maar dat uitval van het aantal deelnemers een reële piste is. Hier moest ik dus rekening mee houden. Ze konden de deelnemers niet verplichten om aanwezig te zijn, dit bleef een vrije keuze. Uiteraard wordt hierdoor dit onderzoek zeer beperkt en zullen mijn onderzoeksresultaten ook enkel voor deze 8 deelnemers gelden.
De enige voorwaarde die ik vooropstelde om deel te nemen was om de Nederlandse taal machtig te zijn. Dit om te vermijden dat we in de co-creatie tegen de taalbarrière zouden oplopen en hierdoor niet ten volle het proces konden doormaken/beleven.
Bij mijn weergave van de sessies en analyse gebruik ik voor privacyredenen en legale redenen pseudoniemen. De namen in dit onderzoek van de deelnemers zijn dus niet hun echte namen.
8 mannen dus. 4 mannen van een andere origine en 4 mannen van westerse origine.
Ik weet bij aanvang niet waarom deze mannen in detentie zitten, hoelang ze daar al zitten en hoelang ze nog in detentie moeten zitten en krijg ook geen informatie over hun persoonlijkheid/karakter/psychologische toestand. Later in dit onderzoek zal ik hier wel over uitwijden binnen de context die relevant is.
Qua leeftijd zijn 5 mannen in hun begin twintiger jaren en 3 mannen in de mid-veertig categorie . Voor privacy-redenen kreeg ik geen toegang tot exacte gegevens.



