Binnen mijn onderzoek ga ik stilaan naar de eindconclusie. Hier zet ik de laatste stappen om deze te formuleren. 

 

Lees hier mijn laatste terugkoppelingen en ook een voorzichtige vooruitblik.

 

Analyse van de scène: (Deze analyse maakte ik samen met de deelnemers, daarop basseerde ik mijn tussenconclusies)

 

De beschrijving van de personages ligt dicht bij hun echte zijn en functie in detentie. Hierdoor geven ze aan het werken met humor op deze manier de eigenschap om (zelf)reflectief te handelen. Ze bekijken hun eigen (situatie) en maken hier uitvergrote karikaturen van. Dit doen ze ook voor het personage dat ver van hen afligt, maar waar ze wel heel de tijd mee geconfronteerd worden, de cipier. Ze maken er niet zo een fraaie figuur van als protest tegen de machtstructuur. 


De beginsituatie van de scène speelt ook met deze machtstructuur, maar dan onderling tussen de gedetineerden. Een stressreactie kan hieruit afgeleid worden.


Doorheen de scène gebruiken ze de term 'lossen' veel (14 keer) en op verschillende manieren. Hierdoor tonen ze aan dat ze hun eigen situatie kritisch hebben benaderd en dat ze hier aan de hand van de participatieve co-creatieve werkvorm startend vanuit humor verandering in teweeg willen brengen. Met andere woorden handelen ze binnen de publieke sfeer over hun private sfeer. Dit wijst volgens Arendt (1958) op vrijheid van geest. En hierdoor behouden ze ook hun individualiteit en humaniteit (zie ook de laatste repliek van Mo: of mensen?). 


De letterlijke verwoording en woordspelingen op hoe ze zich als beesten behandelt voelen, komt ook regelmatig terug. Hiermee klagen ze de dehumaniserende structuur van detentie aan. Door deze kunsteducatieve handeling binnen detentie hebben ze zich als subject verhouden binnen de wereld en is er een kritisch bewustzijn gecreëerd. Een voorwaarde om vrijheid van geest te bereiken volgens Freire. (1970) Met als gevolg de wil om te handelen en te veranderen en hierdoor de open dialoog te bevorderen.


Ze klagen ook de afhankelijkheid van de machthebbers binnen detentie aan door de cipier als machtsmisbruiker neer te zetten als hij oppert om de electriciteit uit te schakelen. Een techniek die echt gebruikt wordt als onderdrukkingsmechanisme. Ze bewijzen vrij van geest te zijn hierdoor omdat ze de fundamentele menselijke mogelijkheid tonen om te denken, te leren en te reflecteren. Ze bedenken de structuur die hen dehumaniseert, ze leren door er met humor mee om te gaan en hierdoor reflecteren ze dat ze niet akkoord zijn met de huidige situatie. Deze analyse sluit mooi aan bij Nussbaums (2011) theorie over de vrijheid van geest.


Dat ze de omgevingsgeluiden van detentie integreren binnen hun scène toont hun reflectie op hun huidige situatie aan. Wederom ontwikkelen ze een kritisch bewustzijn en proberen ze hun wereld te begrijpen en door humor te hernoemen. Daar komt Freire (1970) weer kijken.

 

Ze benaderen hun kritisch inzicht dat de overbevolking dehumaniserend en deindividualiserend werkt ook met een humoristische inslag door plots een cel te bemannen met 5 en uiteindelijk zelfs 6 gedetineerden. Door hier zo mee om te gaan ervaarden ze een bevrijding van deze ongemakkelijke situatie, met de hoop op verandering. Eigenschappen die Freire (1970) koppelt aan vrijheid van geest.


Met het stuk waarin Bert, Andres Pandi introduceert, willen ze duidelijk maken dat recidiviteit momenteel de reële situatie is, dat de leuze je komt slechter uit de gevangenis dan dat je erin gaat de waarheid is. Toch blijkt dit na navraag niet voor iedereen te gelden en kan ik dit dus niet meenemen als conclusie.

 

Ze klagen de vaak dehumaniserende houding van de cipiers aan die hen soms eerder als nummer behandelen. 'Meuuh, hoe ist hier met de koeien?' vraagt de cipier in deze scène. Ook hier proberen ze hun wereld te begrijpen en te hernoemen door de dehumanisatie aan te kaarten. Zie Freire. (1970)

 

Het personage Bert gaat gedurende heel de scène erg creatief van geest te werk. Ze beamen allemaal dat je creatief wordt op cel, net doordat er niets voorhanden is. Deze (zelf) reflectie wijst op een mooie bewustwording van hun situatie.

 

De scène eindigt met de waarheid. Paki vraagt welk beest we nu juist zijn. Mo antwoord: "Of mensen". Hier schuilt voor hen echt de waarheid in en dit hebben ze meegekregen door in participatieve co-creatie vanuit humor deze scène te creëren. Uiteindelijk bepalen ze nog steeds zelf wie of wat ze zijn, mensen. Een zeer waardevolle levensles en kritisch bewustzijn, hierdoor hebben ze de wereld niet alleen bekeken als iets dat veranderbaar is, maar is hun wereld ook een klein beetje veranderd.

En toch stormen ze als komische uitsmijter hun cellen uit als beesten. Het contrast waar iedereen heel fier op is.

 

Een belangrijk aspect om de uiteindelijke draagkracht van deze onderzoeksvraag te beantwoorden is of er na twee maanden geen sessie 'humor in detentie', iets is blijven plakken van deze workshop, misschien zelfs letterlijk.


Jurgen geeft aan de sessies best te missen. Het was voor hem een lichtpunt in zijn verblijf in detentie. Hij moet er nog vaak aan terugdenken des te meer omdat hij de stickers in zijn cel omhoog heeft hangen. Aan zijn prikbord, niet geplakt. Dat mag niet. Of hij zijn wereld nu anders bekijkt, antwoordt hij volmondig ja. Hij ziet alles met veel meer humor, ziet er de humor van in, maar dit vertaalt zich vooral in binnenpretjes. Hij deelt deze humoristische visie niet met zijn mede-gedetineerden. Ze blijven dus voorlopig in de private sfeer. Soms wel eens met zijn celgenoot, maar deze heeft een andere vorm van humor, geeft hij aan. Hij heeft geprobeerd, zoals hij aangaf, om de scènes na te spelen in zijn cel met zijn celgenoot, maar deze wou niet, dus stak hij de scènes in zijn kast, waar ze nu nog altijd liggen. Ik geef hem het idee om misschien zelf nog eens een humoristische scène te creëren. Ik zie de pret in zijn ogen bij dit idee. "Dat is een goed idee" sluit hij af.


Abdel geeft ook aan de sessies op een manier te missen. Voor hem mochten de sessies nog altijd doorgaan. Het was een uitlaatklep voor hem om deel te nemen aan de sessies. Hij geeft aan zijn wereld niet meteen anders te gaan bekijken, maar dat hij dat wel kon tijdens de sessies "even zijn situatie vergeten". Ik voel wel door samen het theoretisch kader en de scène analyse te hebben aangegaan er wat zaadjes zijn geplant. Dat merkte ik aan zijn oprechte verwondering als hij zelf de scène mee-analyseerde en plots veel meer de achterliggende betekenis van de humor in die scène begreep. "Waw, das wel nice dat dat er allemaal uitkomt." Ook hij heeft de stickers nog steeds, maar heeft deze nog nergens opgeplakt. Hij geeft ook aan dat dat niet mag. Ik stel plagerig de kritische vraag of hij zich dan aan alle regeltjes houdt hier in detentie. Hij lacht stiekem: "Mjaa, misschien dat ik het dan wel ergens plak ofzo." Dus wie weet...

Hij heeft zijn script ook nog in zijn bezit en heeft dit nog "minstens twee keer" gelezen. Ik moet lachen met deze verwoording. Twee keer dus. Ook hem geef ik de tip om misschien zelf nog eens zo een script te schrijven, maar hij geeft aan dat hij dat niet alleen zou kunnen. Het was juist de co-creatie en sterkte van de groep die hem tot dat resultaat heeft gebracht. Vrijheid van geest is dan ook een collectief proces zoals Freire meegeeft.


Khalid heeft veel meer moeite om reflectief terug te kijken naar de sessies. Hij vond het vooral fijn om samen te lachen. Zijn groei in zelfvertrouwen dat zowel ik als andere deelnemers was opgevallen verklaart hij doordat hij wel succes had met zijn rol. "De andere vonden mij grappig en dat was leuk." Hij verwoordt zijn deelname eerder als "meedoen en genieten", maar heeft verder geen blijvende effecten ervaren. Hij zat wel regelmatig in de flow (Csikszentmihalyi M.,1990) en vergat daardoor zijn tijdsbesef en ook wel de situatie waarin hij was. Voor hem waren de sessies eerder een vorm van escapisme en veel minder een bewustwording van vrijheid van geest. Hij had de stickers ook nog, maar kon niet meteen zeggen waar ze nu waren en ook een script had hij niet doordat hij de laatste sessie afwezig was. Op de vraag waarom hij de laatste sessie niet aanwezig was en naar de wandeling was vertrokken geeft hij als antwoord "dat hij niet wist dat het een sessie was". Miscommunicatiie blijkt ook nu weer aan de wieg te liggen. Maar ook zijn eigen verantwoordelijkheid, aangezien ik hem wel had meegegeven tijdens de voorlaatste sessie wanneer de laatste sessie zou plaatsvinden. Op de vraag of hij zichzelf nog eens zo een script ziet schrijven, geeft hij ook weer dat vooral Koen de leidende figuur was in zijn groepje en dat zijn toevoegingen eerder sumier waren. Ik denk dat hij zich hierin onderschat en deel dat ook met hem. Dit compliment doet hem duidelijk deugd.

Ik koppel terug met drie van de acht deelnemers. Koen was tijdens de sessies al overgeplaatst naar een andere detentie-instelling en ook Akin en Jonas werden in de tussentijd overgeplaatst. Ahmed en Ruben wouden niet verder meewerken aan het onderzoek, ik kreeg hier geen verklaring voor. Khalid, Abdel en Jurgen stonden wel open voor dit open gesprek.


In deze stap beslis ik om de interviews die ik oorspronkelijk enkel wou gebruiken om terug te koppelen over de tussenanalyse van de sessies, eerder te gebruiken als een gezamenlijk analyse-moment en hierdoor mijn doelgroep ook, in de geest van een echte co-creatie, mee te nemen in de analyse van de humoristische scènes ontstaan uit een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor.

Ik vraag hen waarom ze bepaalde stappen binnen de scènes op die manier uitgewerkt hebben, waarom ze bepaalde twists creëerden, wat hun doel was om bepaalde fragmenten zo uit te werken en wat hun ervaringen waren door op deze manier met hun situatie om te gaan.

Uiteindelijk polste ik naar wat er is blijven plakken. (En of de stickers echt ergens een plaatsje hebben gekregen)


Met Jurgen analyseerde ik de scène 'Pigéon Sauvage'. Hij was hier ook de drijvende kracht wat betreft de schriftuur en uiteindelijke uitwerking en was ook nauw betrokken bij de enscènering van deze scène. 


Met Abdel en Khalid analyseerde ik de scène 'Het lost zijn eigen op'. Zowel Abdel als Khalid waren hier niet de drijvende kracht achter de schriftuur (dat was Koen), maar Khalid was wel betrokken bij deze scène vanaf de eerste stap, Abdel kwam later co-creatief deelnemen aan deze scène. Ze waren wel actief betrokken bij de uiteindelijke uitwerking en enscènering van deze scène.


Ik speel voor de eerste keer volledig open kaart en deel hen mee wat ik juist aan het onderzoeken was. Jurgen is meteen (zoals ik hem doorheen heel dit onderzoek heb ervaren) heel enthousiast en denkt onmiddellijk mee na over de term vrijheid van geest. "Dus bedoelt ge dan als ik in mijn cel dit script aan het uitwerken was, dat ik mijn fantasie gebruikte en daardoor even vrij was in mijn hoofd?" Dat bedoel ik onder andere ja, maar dit doet me meer denken aan escapisme (dat een onderdeel van vrijheid van geest omarmt).

Ook Abdel is onder de indruk van mijn onderzoeksvraag: "Ja man, heavy shit." Maar begint niet zelf na te denken over de term vrijheid van geest of de onderzoeksvraag. Als ik hem letterlijk vraag wat hij verstaat onder vrijheid van geest krijg ik een verrassend accurate benadering: "Als ik mijn goesting kan doen."

Maar Khalid reageert niet echt op mijn onderzoeksvraag, ik merk dat er redelijk wat termen in gebruikt worden die hij niet begrijpt. Ook op de vraag wat hij dan verstaat onder vrijheid van geest moet hij een antwoord schuldig blijven. Het viel me inderdaad op tijdens de zelfreflectieve momenten op het einde van de sessies dat Khalid niet meteen in staat was om onder woorden te brengen wat hij eigenlijk bedoelt. Ook nu is dit zijn achilleshiel, maar samen komen we wel tot besluiten.


Vooraleer we de scènes analyseren neem ik hen mee in mijn theoretische verkenning van vrijheid van geest. Aan de hand van drie uitgewerkt schema's.


De analyse hieronder komt voort uit deze gesprekken.

 

Analyse van de scène: (Deze analyse maakte ik samen met de deelnemers, daarop basseerde ik mijn tussenconclusies)


Ze plaatsen de scène ook weer in hun huidige leefomgeving. In de cel, en starten naar buiten starend. Ze zien veel duiven en dat wordt de motor van deze scène. Ze kijken (zelf) reflectief naar hun situatie, hanteren hier een actieve en reflectieve praktijk van handelen (de scène als tegenstem creëeren) en denken (maken creatief gebruik van hun situatie) om hun wereld te begrijpen. Freire (1970) linkt dit rechtstreeks met vrijheid van geest.


De duiven worden de leidraad doorheen de scène. Hun fantasie aangewakkerd door de creativiteit die ontstaat door de vele beperkingen binnen detentie neemt hier duidelijk de overhand. Ze zijn in staat om hun huidige situatie van isolement om te draaien naar creatief denken en escapisme aan de hand van deze participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor.

 

Binnen de twee cellen waar deze scène zich afspeelt, is er steeds een duidelijke machtstructuur tussen de gedetineerden onderling aanwezig. Don Pigéon heerst over Freddy, Don Cachot heerst over Sjapoo. Hier schemert een kritische reflectie van een systeem van onderdukking door. Deze werd door de auteur wel niet bevestigd, hij verkoos deze structuur voornamelijk voor dramatische reden en minder uit zelfbewustzijn.

 

Er zijn redelijk veel verwijzingen binnen deze scène naar een drang tot controle en zelfinitiatief. De vermelding van een heel pakjesdienstsysteem (een systeem dat de gedetineerden onderling gebruiken om verboden zaken te verhandelen) is naast de duiven leidend binnen deze scène. Dit ontstond door een kritische reflectie naar wat de gedetineerden zelf ervaren als "hier kunnen wij tenminste zelf nog iets beslissen, hebben we zelf de controle over". Dit vormt de basis om hun individualiteit proberen te bewaken. Het recht om zelf beslissingen te kunnen nemen. Het behouden van de menselijke individualiteit is een gevolg van vrijheid van geest volgens Arendt. (1958)

 

Don pigéon die zijn situatie benoemt als de bende van ellende is een mooie rijmvorm om hun eigen situatie weer te geven. Hun eigen ervaring zit hier onder. Het vermogen tot een kritisch bewustzijn (conscientização) komt hier mooi aan het licht. Ze gebruiken een humoristische benadering om deze situatie in de publieke sfeer te uiten. (Freire, 1970)


De associatie op de stotterende s-klank van Freddy doet Don Pigéon gokken naar sigaretten, sex, sperma. Dit is een opsomming van zaken die hun feitelijk zouden ontnomen zijn. Die een gunst zijn binnen het detentiesysteem. Sigaretten kan je kopen, je kan een ongestoord bezoek aanvragen en toch zijn ook net deze zaken een onderdrukkingsmiddel door als extra strafmaatregel op te kunnen leggen. Als je in het cachot (de isolatiecel) vliegt, worden zelfs deze 'gunsten' je ontnomen. Aan deze opsomming ligt een protest aan de basis. Ze zijn het niet eens met dit systeem. De vrijheid om dingen in vraag te stellen, het ergens mee oneens te zijn en hierdoor in een open dialoog te stappen zijn volgens Nussbaum (2011) voorwaarden om vrij van geest te zijn.


De auteur die vooral aan de basis van deze scène ligt (Jurgen) was voor zijn veroordeling een traiteur in het Genkse. Dit script is doorspekt met Genkerse associaties rond eten. Niet alleen het taalgebruik, maar ook de talloze verwijzingen naar italiaanse gerechten (spaghettivreter, calzone, pastakneder, zuppa di giorni, ravioli,...) verbinden zijn leven van buiten met zijn leven van binnen. Aan de hand van het co-creëeren startend vanuit (hun) humor is er een basis ontstaan om zelfreflectief zijn eigen situatie in kaart te brengen en zijn twee werelden te vermengen. Het kritisch zelfbewustzijn is een basiseigenschap om uiteindelijk tot vrijheid van geest te komen cfr. Freire. (1970)

 

Ook in deze scène wordt een gedetineerde uiteindelijk een beest. Don Cachot die een duif wordt door het eten van vergiftigde soep. Een fantasierijke stap en vooral hilarische uitvoering van deze duif die toch als basis een stem biedt aan de strijd tegen de dehumaniserende detentiestructuur. Deze participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor is dus ook hier geslaagd om hen via een kritisch zelfbewustzijn in staat te stellen hun onderdrukte positie aan te kaarten en via open dialoog in de publieke sfeer te uiten.


Terugkoppeling met de doelgroep

 

Ik start het gesprek met een lezing van de ge-co-creërde humoristische scènes en vraag haar wat zij hier uit haalt. Ik schotel haar naast koffie ook de scène 'Pigéon sauvage' voor. Ze moet meteen lachen met de scène. 'Pakjesdienst, Don Cachot, ik sorteer het wel' hoor ik haar lachend herhalen. Ze herkent de humor die de gedetineerden vormen rond de duiven, dit heeft ze nog opgevangen in Leuven-hulp. Ook de interne pakjesdienst is haar uiteraard niet wereldvreemd. Maar het ene basisidee waar deze scène uit ontstond is minder leesbaar. Ze houdt het op onderlinge machtstrijd. Het mooie is dat ze meer de focus legt op de mens achter de scène en zonder te weten door wie het geschreven was, toch de juiste gedetineerde koppelt aan dit script. Ze benadrukt dat ze een andere verstandhouding heeft met vele gedetineerden en ze soms ook eerder ervaart als collega, zeker dan die gedetineerden die ook een dagtaak in de gevangenis krijgen dicht bij haar zoals het runnen van de bibliotheek. Dit is zeker herkenbaar voor mij, tijdens mijn analyse van de sessies beschreef ik ook het gevoel van met vrienden bezig te zijn. Deze menselijke benadering is dus ook zeker wel aanwezig in de detentiestructuur. 

Ik haal de analyse naar boven die ik samen met de gedetineerden maakte. Deze analyse wordt helemaal bevestigd door haar. "De duiven zijn echt aanwezig bij ons, soms vinden we dode duiven die dan van de aanwezige drugs hebben gegeten.", lacht ze wat luguber.

Hierna geef ik haar de tweede scène 'Het lost zijn eigen op'. Ook hier moet ze onmiddellijk mee lachen, 'Luie cipier, schijten als ne reiger, koeieneren, dat einde is echt grappig en goed'. De overbevolking haalt ze er als eerste uit. Dit is sinds mijn interventies alleen maar verergerd, deelt ze mee. Met 3 op 1 cel is nu niet meer zo uitzonderlijk. Tot grote frustratie van personeel en gedetineerden. Daarnaast herkent ze de dehumanisatie-aanklacht binnen deze scène ook meteen. Ook zij stelt al sinds ze daar werkt (anderhalf jaar nu) de term lossen in vraag. Vele bezoekers die in de gevangenis komen ,als ook de gedetineerden zelf, raakt deze term, bevestigt ze. Binnen hun dienst houden ze hier al rekening mee. Zij zelf gebruiken deze term nooit. "Zelfs niet als we bellen naar het centrale controlepunt." Ik herken mijn zoektocht van proberen voorleven en de teleurstelling dat de term 'lossen' vastgeroest blijkt in het systeem. Zij gebruiken de term 'oproepen'. Bijvoorbeeld, je mag de medewerkers van de bibliotheek oproepen. Dit is inderdaad al een veel humanere term. Ik vraag haar of ze de gevangenisdirectie deze bedenking, dit alternatief al heeft voorgelegd. Ze geeft toe dat ze dat al gedaan heeft, maar al even geleden en dat dergelijke veranderingen voor de directie niet hoog op de prioriteitenlijst ligt. Toch heel jammer, besluiten we samen, want daar ligt een basis van een humaniserend verschil. Britt nuanceert wel eventjes. Sommige personeelsleden die wel een uitvoerende straffunctie hebben binnen detentie, benaderen de gedetineerden wel vanuit een heel menselijke, bijna tastbare kant en toch blijven ook die deze term gebruiken, omdat ze het zo gewoon zijn. Dit is exact wat Paolo Freire (1970) bedoelt met zijn collectief proces om verandering teweeg te brengen. Je kan pas een staat van onderdrukking veranderen als de onderdrukkers ook zelfreflectief genoeg zijn om vrij van geest het vastgeroeste systeem in vraag te stellen.

Ik neem haar even mee doorheen mijn onderzoek. Ik toets mijn tussenanalyses af en tussenconclusies om te vergelijken met haar ervaring. Ze bevestigt elke analyse en is onder de indruk van hoe goed ik de context en de gedetineerden begrepen heb. En vooral ook fijn dat ik hen als kunsteducator de mogelijkheid heb aangeboden om een mening te vormen en te uiten. Ze merkt dat vele gedetineerden dit juist afleren in de onderdrukkende detentiestructuur. "Hun mening, hun ideeën worden zo vaak niet beschouwd als waardevol, dat ik, die daar binnen kwam als kunsteducator, hen dat toch kon bieden, dat is knap.", merkt ze op. Nussbaum (2011) zegt ook: "Kunst biedt de ruimte om onszelf te begrijpen en onze persoonlijke ervaringen te verkennen, iets wat essentieel is voor persoonlijke groei en verandering" (p. 68)

Ze geeft ook mee dat het eigenlijk heel gezond is om binnen deze ideologische visie net te beseffen dat ik door dit onderzoek niet meteen heel het detentiegegeven zal veranderen/beïnvloeden, maar dat ik wel voor die 8 deelnemers lokaal gezien heel veel heb gedaan. Ik krijg het warm vanbinnen door deze opmerking. 

Ze ziet de meerwaarde van dit onderzoek zeker in en ook zij verwijst me door naar VZW dehuizen waar ze denkt dat dergelijke projecten echt op hun plaats zijn. Binnen Leuven hulp ook en misschien kan dat ook nog wel, maar de budgetten zijn gering en zijn onlangs zelfs nog eens bekrompen, dus meer dan eens polsen, kan ze me momenteel niet beloven. 

 

Ik start het gesprek met een lezing van de ge-co-creërde humoristische scènes en vraag hem wat hij hier uit haalt. De eerste scène die hij voorgeschoteld krijgt is 'Pigéon sauvage'. Hij moet meteen lachen met de duiven, "Dat is inderdaad een probleem bij ons, die brengen ongedierte met zich mee." Zijn analyse is redelijk accuraat en hij kadert nog meer (en iets duidelijker dan de gedetineerden zelf) waar de realiteit zich verstopt tussen deze fictieve scène. Verschillende bendes/clans die concureren binnen detentie is een alomtegenwoordige praktijk. Als ik hem vraag wat de basisidee zou zijn van deze scène, denkt hij de handel binnen detentie. Ik licht hem in over 'het rad der verdoemnis' waar deze scène uit ontstaan is en ook dit klinkt herkenbaar. Hij bevestigt dat deze scène is ontstaan uit hun wereld en een kritische blik op deze wereld. Hierna neem ik hun analyse over deze scène erbij en deel ik deze ook met Bart. Hij geeft toe dat zijn ogen her en der wel zijn opengegaan. Dat de handel in de gevangenis voor hen ook een drang naar eigen beslissingsrecht is bijvoorbeeld, biedt hem een nieuw perspectief op deze handel. Hij nuanceert deze handel ook vanuit een drugsafhankelijkheid en dat de gevangenis in zijn ogen een drugsvrije plek zou moeten zijn. De realiteit is jammergenoeg anders, ze treden hier wel streng tegen op. De gedetineerden zelf, die aan de basis van deze scène lagen, zagen het van de andere kant. Dit contrast is boeiend en intriest tegelijkertijd. Het besef groeit dat je zelden beter uit detentie komt, dan dat je er in bent gegaan, mede net door deze clan-structuur tussen de gedetineerden waar de kleine boefje door de grote boeven worden gemanipuleerd, bedreigd en ingezet worden om grotere misdaden te plegen. Deze analyse kan hij niet tegenspreken.

Ik geef hem de tweede co-creatie: 'Het lost zijn eigen op.' Hij legt zonder het script te lezen zelf meteen de link met Andrès Pandy. "Wij maken een mopje met het personeel dat we soms een een pandy-tje zouden moeten doen, dat lost alles op." Dit kan geen toeval zijn. Deelt het personeel met de gedetineerden eenzelfde mop zonder dit te beseffen, of hebben ze elkaar beïnvloed of geïnspireerd? Na het lezen van deze scène wordt hij even stil. "Ik wist niet dat dit zo leefde tussen de gedetineerden." De boodschap komt duidelijk binnen. De gedetineerden voelen zich gedehumaniseerd binnen deze scène. De term "lossen" wekt toch meer los dan hij verwachtte. Hij geeft aan zelf lezingen te geven over de 10 stappen tot dehumanisatie, gebaseerd op het model van Stanton, in de Dossin Kazerne te Mechelen, een memoria museum dat zich onder andere de vraag stelt hoe de holocaust tot stand is kunnen komen. Hoe dergelijke dehumanisatie is kunnen ontstaan. Hier zegt hij iets verrassends: "Ik geef de term 'lossen' binnen detentie dan ook vaak aan als voorbeeld. Dat dit dehumaniserend zou kunnen werken. Maar dan nuanceer ik dat die term vooral de eerste week hard binnenkomt bij de gedetineerden en dan wel went en dus ook niet meer datzelfde dehumaniserende effect heeft. Maar dus blijkbaar niet..." Ook al geeft hij zelf lezingen over dehumanisatie heb je niet altijd zelf door waar dit in kan sluipen. Deze scène had dus ook effectief de kracht om iets te veranderen. Het besef van de dehumaniserende kracht van woorden. We denken samen na hoe we dit zouden kunnen aanpassen en komen tot het besluit dat 'starten' dan misschien een juistere term zou zijn. 'Start wandeling blok 1' of 'Start project humor in detentie'. Vanbinnen maak ik vreugdesprongen. Dit onderzoek heeft dus wezenlijk iets veranderd. Een steen verlegd in een rivier. Dehumanisatie in detentie zal zeker nog niet verdwenen zijn, maar dankzij de vrijheid van geest van 9 mensen door een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor is er wel een begin. 'Start humanisatie in detentie'. 


En nu ik dan toch stenen aan het verleggen ben, ga ik even na of het wel klopt dat je geen stickers mag plakken in het detentiehuis. Dit wordt jammer genoeg bevestigd. "Waarom?" vraagt Bart nieuwsgierig. Ik laat hem mijn stickerontwerp zien en hij is eigenlijk meteen erg enthousiast. De idee dat door dit te lezen een gedetineerde even kan ademhalen, even kan lachen, even kan reflecteren, even kan ontsnappen of wie weet zelfs even vrij van geest kan zijn, spreekt hem wel aan. Een sticker plakken, dat zal niet kunnen, maar hij stelt zelf voor om hier misschien twee posters van te maken en dit dan op te hangen binnen detentie. Ook hier is een steentje verlegd.

 

Ik koppel mijn bevindingen terug met Britt Paquay, mijn rechtstreeks contact binnen arresthuis Leuven-hulp. Zij is verantwoordelijke voor de dienst sport, cultuur, vrijetijd en educatie binnen Leuven-Hulp gevangenis. Ook zij staat in detentie, net zoals ik daar stond, niet als uitvoerder van de straf, maar als sociale ondersteuner voor de gedetineerden. Ik ben benieuwd of ze de analyses herkent en welke bedenkingen zij nog heeft over dit onderzoek als ervaringsdeskundige.

 

 

Een vraag die nog oppopt waar ik misschien nog interessante informatie kon uithalen was: wat zou dit onderzoek voor jullie kunnen betekenen?

 

Bij een komend gesprek stel ik ze.

 

Daarnaast koppel ik mijn bevindingen ook terug met Bart Thijs, één van de drie directieleden van Leuven-hulp. Ook zijn kijk op mijn bevindingen interesseren me en ik ben benieuwd hoe hij hierop reageert. Met hem filosofeer ik ook nog wat verder op het huidige detentiesysteem en stel ik als mediair persoon de term 'lossen' in vraag. Misschien dat ik hierdoor toch een steentje kan verleggen in de kolkende rivier.

Terugkoppeling met ondersteunend team en gevangenisdirectie 

Ik kijk nog even achterom, naar het lege ontspanningslokaal. Ik leg voor de laatste keer de lijst met de deelnemers in het daarvoor bestemde bakje. Op de lijst staan naast praktische zaken (de naam van de sessie ‘humor in detentie’, de locatie ontspanningslokaal,het aanvangsuur van de sessie, de datum), ook de persoonlijke gegevens van de gedetineerden (de voor-en achternaam, hun cel nummer en hun dossiernummer). Voor de rest niets, buiten één zinnetje dat me elke keer tot denken zette: “Dit document mag de gevangenis niet verlaten, elk vergrijp hierop is strafbaar.”  Het detentiesysteem is echt een minimaatschappij binnen de grotere maatschappij, een parallel universum, waar dingen gebeuren die enkel binnen de muren gebeuren, waar de bredere wereld erbuiten buiten blijft en de enge wereld binnen enger wordt. Nog veel meer dan hoe onderwijs soms ook die neiging vertoont een aparte maatschappij te zijn. Met dat verschil dat die minimaatschappij voor onderwijs eentje zou moeten zijn om te exploreren, te experimenteren, te expanderen, te individualiseren (Masschelein, Simons, 2013) en die van detentie eentje is om te controleren (Foucoult, 1975), te bestraffen, te dehumaniseren (Haney, 2002), te de-individualiseren (Goffman, 1961). 


Mijn Onderzoeksvraag


Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-Hulp arresthuis, vrijheid van geest aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor? 


Deelvragen


Wat is die innerlijke vrijheid van geest?


Om deze deelvraag te beantwoorden was er een grondige theoretische verkenning nodig, deze kan je terugvinden onder de tweede deur


Blijft de vraag:


‘Hoe ga ik innerlijke vrijheid van geest kunnen onderzoeken?’ 


Uit mijn theoretische verkenning haalde ik volgende concepten om mijn data te onderzoeken, te structureren en tegenover elkaar af te wegen.


  • de mogelijkheid om eigen ideeën te ontwikkelen en deze te uiten in de publieke sfeer.
  • een kritisch bewustzijn van je eigen situatie
  • de wil om te handelen en te veranderen.
  • de wereld rondom begrijpen en hernoemen
  • de vrijheid om vragen te stellen
  • de vrijheid om het ergens mee oneens te zijn


Uit de talloze gesprekken met de gedetineerden, tijdens en na de sessies, hun reflectie-momenten en de data-analyse, kan ik hieruit concluderen dat er tijdens de sessies en in het eindresultaat ervan voldoende bewijzen zijn dat deze voldoen aan alle hierboven beschreven concepten. 

Ze waren in staat om eigen ideeën te ontwikkelen en konden deze uiten in de publieke sfeer aan de hand van een script in de wereld te sturen. 

De basis van deze scènes zijn ontstaan vanuit een kritisch bewustzijn vanuit hun eigen situatie, de hamvraag van de sessies was dan ook waar ze humor in detentie tegenkwamen. 

Door deze scènes te co-creëren hebben ze de wil getoont om te handelen en door de kritische ondertoon van deze scènes willen ze ook iets veranderen. Hierdoor tonen ze aan dat ze hun wereld rondom begrijpen en hernoemen aan de hand van (hun) humor. 

Ze tonen zeker aan dat ze de vrijheid ervaren om hun situatie en hun wereld in vraag te stellen en ze vinden de vrijheid om het er niet mee eens te zijn. 

Hierdoor kan ik dus concluderen dat tijdens de sessies en tijdens de participatieve co-creatie, startend vanuit (hun) humor, er wel degelijk sprake was van vrijheid van geest.


Om dit te verifiëren kijk ik ook of de vooropgestelde gevolgen uit mijn theoretische verkenning ook gestaafd kunnen worden. Hier baseer ik me op volgende concepten uit mijn theoretische verkenning.


  • het behouden van de menselijke individualiteit.
  • een vermogen tot empathie, tot een moreel oordeel te vellen, begrip te tonen en te zorgen voor anderen.
  • de mogelijkheid hebben om hierover in een open dialoog te stappen door samen te denken, te leren en te reflecteren.
  • de wereld bekijken als iets dat veranderbaar is.


Binnen mijn sessies kreeg ik regelmatig de respons dat ze 'volledig hun eigen konden zijn'. Hierdoor voelden ze zich gezien in hun individualiteit, daar waar de detentiestructuur juist de-individualiserend werkt. 

Ik heb ervaren dat door samen creatief rond humor te werken, empathische gevoelens werden ontwikkeld. Ze toonden begrip voor elkaars ideeën en input en zorgden voor mij en elkaar.

De co-creatie lokte dit misschien ook uit, maar de sessies waren doorspekt met een open dialoog door samen te denken, te leren en te reflecteren over hun huidige situatie.

Door dit traject met hen te doorlopen gaven ze aan dat ze hun wereld zagen als iets dat veranderbaar is. De kritische ondertoon uit hun co-creaties toont dit ook.

Hieruit concludeer ik dus nog steeds dat vrijheid van geest tijdens de participatieve co-creatieve sessies startend vanuit (hun) humor aanwezig was en dat we dit dus beleefd hebben.


Om heel zeker gefundeerd deze conclusie te kunnen staven, weeg ik dit alles nog af tegen een laatste overkoepelend concept uit de theoretische verkenning van de term vrijheid van geest, die bij alle drie de denkers aanwezig was: 


  • Vrijheid van geest kan alleen maar ontstaan vanuit een collectief proces.


En ook hier kan ik volmondig ja op concluderen, binnen onze sessies werkten we steeds vanuit een collectief idee. We beleefden deze sessies samen en dus ook de vrijheid van geest.


Dus kan ik de onderzoeksvraag beantwoorden:


Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-Hulp arresthuis, vrijheid van geest aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor?


Door 8 sessies te organiseren met als uitgangspunt (hun) humor in detentie en hun de vrijheid te bieden, met veel inspraak, een participatieve co-creatie aan te gaan, zoals beschreven in dit onderzoek, kunnen gedetineerden in gevangenschap van Leuven-hulp arresthuis, vrijheid van geest beleven gedurende deze 8 sessies.


Uit de analyse en terugkoppeling van de sessies met de nodige partners blijkt dat er naast hogerop vermelde concepten rond vrijheid van geest nog andere parameters belangrijk waren om de mogelijkheid te creëren dit antwoord gefundeerd te formuleren. 


Herkenning.


Een noodzaak binnen de humor is herkenning, ze moeten zichzelf herkennen in de humoristische scènes. Door te starten vanuit hun humoristische kijk op hun wereld heb ik ervoor  gezorgd dat herkenning plaatsvindt.  Humor wordt vaak geassocieerd met zelfherkenning, omdat mensen geneigd zijn humor als leuker te ervaren wanneer ze zichzelf erin kunnen herkennen of wanneer de humor overeenkomt met hun eigen ervaringen of identiteit. Dit wordt ook gestaafd door het onderzoek van Kurtz, L. E., & Lyubomirsky, S. (2006). Ze ontdekten dat mensen grappen en humor als leuker ervaren wanneer ze de boodschap of de ervaring in de humor als een weerspiegeling van hun eigen leven of ervaringen herkennen. Dit creëert een gevoel van verbondenheid met de bron van de humor.


Verbondenheid binnen de groepsdynamiek.


Het viel op door een gezamenlijk doel, de co-creatie, voor ogen te hebben dat de verbondenheid binnen deze groep ook echt versterkt werd. Deze verbondenheid viel meer op bij deze sessies dan bij andere workshops die aangeboden worden binnen detentie. Hier moeten ze nochtans ook vaak samenwerken met een gezamenlijk doel voor ogen en toch… 

Humor speelt een belangrijke rol in het versterken van sociale banden, het bevorderen van samenwerking en het verhogen van groepscohesie. ( Davis, M. A., & Kiecolt, K. J., 2013) Volgens dit onderzoek kan humor sociale grenzen verkleinen, een gevoel van gelijkwaardigheid bevorderen, en een veilige ruimte creëren voor interactie, waardoor de groepscohesie wordt versterkt.

Deze verbondenheid is ook noodzakelijk om tot dergelijke conclusie te komen.


Vertrouwen.


Er moet binnen de groep een basis van vertrouwen aanwezig zijn. Dit heb ik niet alleen via humor bereikt, maar heb ik ook gecreëerd door zo gelijk mogelijk te fungeren binnen de co-creatie. Het uitgangspunt gebaseerd op Paolo Freire’s visie dat iedereen expert is en je van elkaar kunt leren, heeft in deze sessies meteen gezorgd voor wederzijds vertrouwen.


 "The teacher is no longer merely the one who teaches, but one who is himself taught in dialogue with the students, who in turn, while being taught, also teach."
— Paulo Freire, Pedagogy of the Oppressed (1970, p. 61)

Uiteraard kon ik nooit helemaal als gelijke fungeren binnen deze groep, want zij werden van hun vrijheid beroofd, ik kon na elke sessie gewoon terug naar mijn thuis keren.


Betrokkenheid.


Het is belangrijk om tot deze conclusie te komen dat er voldoende aandacht gaat tijdens deze sessies naar de betrokkenheid van de doelgroep. Dit bekom je enerzijds door de herkenning in de gebruikte humor zoals hierboven beschreven wordt, maar ook door binnen de co-creatie je rol als begeleider ter harte te nemen en hen hierdoor ook veel beslissingsrecht te schenken. Hierdoor lok je ook eigenaarschap uit over de co-creatie.  Volgens onderzoek naar de relatie tussen de betrokkenheid van de deelnemers en een artistieke co-creatie in de context van participatietheater blijkt dat de co-creatie een krachtig middel is om diepere betrokkenheid uit te lokken. (Girod G. & Albrecht S., 2020) Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat ook hun waardering voor de kunstenaar en het eindproduct groeit.


Werken met humor moet niet altijd grappig zijn.


De focus binnen de sessies moet niet altijd liggen op grappig zijn. Het werken met humor is niet altijd grappig. 


Een lichte ongedwongen sfeer creëren.


Het is belangrijk om tijdens de sessies een ongedwongen sfeer te handhaven. Vooral geen druk opleggen en voldoende tijd voorzien om ook even niets te doen en gewoon te zijn.


Menselijke benadering.


En dit is binnen deze context misschien wel één van de belangrijkste voorwaarden om alle bovenstaande parameters te bereiken, maar ook zeker om de concepten van vrijheid van geest te stimuleren. Benader de doelgroep altijd vanuit een menselijke, empathische, liefdevolle manier. Dit spreekt misschien voor zich en toch vind ik het zeker de moeite waard om dit binnen mijn conclusie te vermelden. 


 

En dus kan ik hogerop vermeld antwoord op mijn hoofdvraag aanvullen: 


Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-Hulp arresthuis, vrijheid van geest aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor? 


Door 8 sessies te organiseren met als uitgangspunt (hun) humor in detentie, waarin ze zichzelf kunnen herkennen en hun de vrijheid te bieden, met veel inspraak op basis van wederzijds vertrouwen, een participatieve co-creatie, vanuit een betrokkenheid en verbondenheid binnen de groepsdynamiek, aan te gaan, in een lichte ongedwongen sfeer die niet altijd grappig moet zijn, zoals beschreven in dit onderzoek, volledig doorspekt vanuit een menselijke benadering, kunnen gedetineerden in gevangenschap van Leuven-hulp arresthuis, vrijheid van geest beleven gedurende deze 8 sessies.

 

 

Andere gevolgen, naast het ervaren van vrijheid van geest, tijdens deze sessies waren:


  • eigenaarschap
  • voorpret
  • erkenning
  • welbevinden
  • energie krijgen
  • veel lachen
  • exponentiële groei van het zelfvertrouwen
  • helende functie
  • lichte vorm van rock 'n roll en rebellie


En toch beperkt zich dit dus tot ons collectief proces, dat van mij en de 8 deelnemers en niet buiten het ontspanningslokaal.


En daar wringt het schoentje. Want ik ervaarde ook dat van zodra de gedetineerden terug geconfronteerd werden met de detentiestructuur, ze die verworven vrijheid van geest niet konden voortzetten. En dus biedt de vraag zich aan:


 ‘Kan er in dergelijke context gebaseerd op onderdrukking en controle wel sprake zijn van vrijheid van geest?’


En daar komt mijn laatste deelvraag van pas, om hier een antwoord op te formuleren:


'Waar situeert vrijheid van geest zich binnen de context van detentie?'



Doorheen mijn onderzoek stel ik me serieuze vragen over de behandeling van de gedetineerden in gevangenissen. Volgens Van der Laan en Schoenmakers (2020) bestaat de dehumanisatie van gedetineerden voornamelijk uit het behandelen van hen als objecten in plaats van als mensen met rechten en gevoelens. Gedetineerden worden vaak beperkt in hun bewegingsvrijheid, worden gecontroleerd en gemonitord in alle aspecten van hun leven en hebben beperkte toegang tot essentiële menselijke behoeften zoals privacy, sociale interactie, lichaamsbeweging en volgens mij daar bovenop ook cultuur en educatie. Deze bevindingen kan ik lineair terugkoppelen naar mijn analyses van mijn sessies, gesprekken met de gedetineerden en gevangenisdirectie.


Daarnaast stelt Goffman (2019) dat gevangenissen, door hun inrichting en strikte regels, de sociale identiteit van gedetineerden verminderen tot slechts hun status als gevangenisbewoner. Deze situatie kan leiden tot een "institutionele dehumanisatie". Ook dit valt terug te koppelen aan bevindingen binnen dit onderzoek.


De gevangenisorganisatie zelf is vaak zo gestructureerd dat geweld en ontmenselijking een integraal onderdeel wordt van de dagelijkse ervaring, zoals Bonta en Andrews (2017) benadrukken.


Het primaire doel van detentie in België is officieel het handhaven van de openbare orde en het bestraffen van misdaden. Dit systeem heeft zijn wortels in het klassieke idee van vergelding, waarbij het lijden van de gedetineerde wordt gezien als een proportionele reactie op het misdrijf en het doel van de gevangenisstraf is vaak gericht op het beschermen van de samenleving door deze individuen van de buitenwereld te scheiden (De Witte, 2018). Volgens Lappi-Seppälä (2019) is er weinig bewijs dat gevangenisstraf als vergelding daadwerkelijk bijdraagt aan de vermindering van criminaliteit.  Er zijn echter alternatieven voor de strikte vergelding en uitsluiting die centraal staan in het huidige Belgische detentiesysteem. Onderzoek wijst uit dat een benadering die zich richt op zorg en herstel, in plaats van louter vergelding, veel effectiever kan zijn in het verminderen van recidive en het bevorderen van de rehabilitatie van gedetineerden. Het herstelgerichte model benadrukt de menselijke waardigheid van gedetineerden en richt zich niet alleen op de straf, maar op het herstel van de schade die door de misdaad is aangericht, zowel voor het slachtoffer als voor de dader (Johnstone & Van Ness, 2017).


Hier positioneert mijn onderzoek zich dus. Als tegenbeweging in de onderdrukkende en controlerende context van detentie. Als alternatief vanuit een herstelgericht model. En door dit ondoordringbare systeem kan er dus ook geen vrijheid van geest overleven buiten het ontspanningslokaal en buiten mijn 8 sessies.


Dus moet ik mijn hogerop vermeld antwoord op mijn hoofdvraag nuanceren.


Hoe beleven gedetineerden in gevangenschap, in Leuven-Hulp arresthuis, vrijheid van geest aan de hand van een participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor? 


Door 8 sessies te organiseren met als uitgangspunt (hun) humor in detentie, waarin ze zichzelf kunnen herkennen, en hun de vrijheid te bieden, met veel inspraak op basis van wederzijds vertrouwen, een participatieve co-creatie, vanuit een betrokkenheid en verbondenheid binnen de groepsdynamiek, aan te gaan, in een lichte ongedwongen sfeer, die niet altijd grappig moet zijn, zoals beschreven in dit onderzoek, volledig doorspekt vanuit een menselijke benadering, kunnen gedetineerden in gevangenschap van Leuven-hulp arresthuis, situationeel vrijheid van geest beleven gedurende deze 8 sessies. Door de alomtegenwoordige detentiestructuur kan dit met andere woorden geen constante vrijheid van geest beleving opleveren.


Dit onderzoek levert dus niet louter kunsteducatieve waarde op, maar zet hopelijk ook aan tot reflectie over de huidige detentiestructuur.


Kritische noot: Ik heb dit onderzoek maar in 1 detentiehuis met 1 groep van 8 gedetineerden uitgevoerd. Deze resultaten gelden dus voor dit detentiehuis met deze gedetineerden. Ik kan (nog) niet verzekeren dat dit onderzoek met andere deelnemers dezelfde resultaten zal bekomen. Dit is een stap naar een vervolg binnen dit onderzoek.


Vragen die nog oppoppen en waar dit onderzoek nog geen voldoende antwoorden op kan geven:


  • Moet je inherent creatief zijn om vrijheid van geest te bereiken?


Het viel me op dat er toch reeds een basis-creativiteit aanwezig was bij sommige deelnemers en dat hun creativiteit er mede ook voor zorgde dat anderen in de groep mee op de kar sprongen. De effecten van die vrijheid van geest waren ook duidelijker zichtbaar bij deze creatieve, enthousiasmerende deelnemers. 


  • Zou dit onderzoek in andere detentiecentra andere resultaten opleveren?


Dit onderzoek had nu plaats in een arresthuis, meerbepaald dat van Leuven. Een arresthuis heeft vaak prille gedetineerden in huis, of mensen die nog wachten op hun vonnis. Maar hoe zou dit onderzoek zich verhouden in andere detentiehuizen, zoals een correctionele gevangenis waar enkel reeds veroordeelde gedetineerden voor langere tijd zitten of in open detentiehuizen waar de gedetineerden overdag nog kunnen gaan werken of in een instelling waar gedetineerden met enkelbanden zich wekelijks moeten aanmelden?


Uit mijn theoretisch kader, mijn tussen analyses van mijn sessies, observatieverslagen, externe observatieverslagen, resultaten van reflectiemomenten met de deelnemers, spontane focusgesprekken met de deelnemers, tussen conclusies, scène analyses in co-creatie met de deelnemers, terugkoppeling met de doelgroep en terugkoppeling met ondersteunend team en gevangenisdirectie formuleer ik hier een (voorlopige) globale conclusie die een antwoord biedt op de hoofdvraag en op de deelvragen.

Eindconclusie

Door dit alles is mijn ideologisch uitgangspunt niet verzwakt, in tegendeel. Ik ben er eigenlijk meer van overtuigd dat kunsteducatie wel degelijk een meerwaarde kan bieden binnen het detentiesysteem. Alleen denk ik dat het detentiesysteem een dringende hervorming nodig heeft om effectief blijvende resultaten te bekomen. 


Ik denk terug aan wat Abdel me aanreikte de laatste sessie om pas vrijgelaten ex-gedetineerden te ronselen en dergelijke participatieve cocreatie startend vanuit (hun) humor aan te gaan. Hier voel ik veel voor.


Na deze opleiding ben ik dan ook van plan om via de gekende vzw's (De rode antraciet, de huizen) stappen te ondernemen om een humoristische voorstelling te co-creëren. Alleen weet ik nog niet in welke hoedanigheid. Als louter kunstenaar/kunsteducator of als Kunstenaar/onderzoeker/kunsteducator... 


In ieder geval heeft deze opleiding en dit onderzoek me over de streep getrokken om deze eerste stap richting een betere, mooiere wereld te zetten. Waarvoor dank.


Ik zou ook graag even een dankwoord willen richten.


Naar in de eerste plaats mijn gezin, die me, ondanks veel gemis, de ruimte en het vertrouwen hebben gegeven dit traject aan te gaan.


Naar de deelnemers van dit onderzoek, die me in vertrouwen hebben genomen en mee deze prachtige participatieve co-creatie startend vanuit (hun) humor hebben vorm gegeven.


Naar het ondersteunende team en de gevangenisdirectie die me in hun parallelle universum binnenlieten.


Naar de vele begeleidende gesprekspartners die steeds constructief mee nadachten om dit onderzoek te verdiepen.


Naar mijn ouders en schoonouders die hun huizen ter beschikking stelden om rustig zonder storen te kunnen werken.


Naar mijn mede-studenten die via peer-gesprekken aanleiding gaven tot reflectie.


Naar mijn critical friends die mee in het onderzoek kropen.


En naar mijn collega's/vrienden die soms eindeloos gepalaver en gefilosofeer moesten verdragen als mijn onderzoeksvraag weer eens onder mijn huid gekropen was.


Merci.

Persoonlijk vlammetje